Mijne Maccer
April 2005
Avant la lettre
Eind april 1958 was er niet alleen de schoolreis naar ‘Expo58’, maar stonden op een klein voetbalveld, waarvan de naam mij nu ontsnapt, evenwijdig met de Dender twee jongensploegen tegenover mekaar. De bonken uit de vierde latijns-griekse hadden gezworen brandhout te maken van de snotters uit de vijfde. Wij, de snotters dus, noemden onszelf na een doorgedreven ‘brainstorming’: de ‘Venusboys’. Ik heb heb het toen zelf in hanenpoten op de achterzijde van nevenstaand fotootje genoteerd maar het waarom van deze naam heb ik niet kunnen achterhalen.
Bij de ’Venusboys’ waren er drie die konden voetballen, waarvan één dacht dat hij Di Stefano was. Twee die beweerden het kunnen onder de knie te hebben omdat ze ook hun shoes al dan niet geleend hadden. De vijf anderen mochten meedoen omdat een ploeg toen nog (?) uit tien spelers bestond. Die vijf waren dan ook respectievelijk geschoeid met basketters, botinnen, tennissloefen en turnpantoffels. Voor de foto werd dit loopvolk dan ook verzocht achteraan plaats te nemen kwestie van de serieux van het hele gebeuren niet te doorbreken.
Niettegenstaande men mijn zogenaamde voetbalbenen toeschrijft (knieën iets uit elkaar), kende ik geen fluit van voetbal. Fluiten blijft de taak van de scheidsrechter en mijn geliefkoosde positie was dan ook de offside-plaats. In de tactische voorbesprekingen werd me zeker honderd maal uitgelegd wat juist die val was ... ik snapte er geen bal van: voor mij lijkt het nog altijd de ideale plaats om vrij te staan. Van een stomme regel gesproken.
Tot vijf minuten voor het fluitsignaal sloofde ik me uit in het in-de-weg-lopen en met een brilstand op het scorebord verdwaalde ik voor het vijandige doel. De -van voetbalschoenen- voorziene Di Stefano-kloon lanceerde vanuit de achterste lijn een loeier die resoluut mijn richting koos. In een angstreflex sloeg ik beide handen voor de ogen en daar ik geen hand meer vrij had, draaide ik me half om. De bal ketste af op wat de lage rug genoemd wordt, verraste de doelman en zonder dat ik het zelf zag belandde deze, de bal natuurlijk, in het doel.
Goal, goal, goooooooaaaaaallll klonk het ‘desaedeleerswijs’ vanop de zijlijn ... stond ik geen offside? Toevallig niet, want de scheidsrechter stond al bij de hoogste aardkluit die als middenstip dienst om het spel te hervatten.
Met hand - twee klasgenoten speelden meestal basket - en tand verdedigden we de laatste vijf minuten die kleine voorsprong. Ik pakte alle moed die ik maar vond bij elkaar en gooide deze met ware doodsverachting voor elke bal. Niet moeilijk, ik was toch doodop en dat gooien zal wel eerder een ongecontroleerd vallen geweest zijn. We hielden stand en (alea jacta est) de Venusboys klopten zowaar de vierde latijners met 0-1 cijfers. De rest van het schooljaar wierp ik elke dag een niet-van-een-zekere-fierheid-gespeende blik naar het bord met daarop de sportuitslagen met de namen van de goalgetters van dat jaar.
(Voor alle duidelijkheid: Een carrière in het voetbal is het nooit gewor-den, mijn naam is nooit meer op het bord met uitslagen verschenen én enkel het bijschrift bij de foto is verzonnen.)
●
Op de foto merk je dat ik de enige ben met een niet-reglementaire uitrusting. Lang voor het gemeengoed werd op de voetbalvelden, trok ik na de winning-goal mijn marcelleke uit en gooide deze richting ... verdomme den Dender.